
1980 liep op zijn eind toen Ger al een poosje sukkelde met zijn gezondheid. Hij voelde zich grieperig en niet fit, en het ging maar niet over. Toch wilde hij zich niet ziek melden, hij wilde juist heel graag zijn werk blijven doen. Ook omdat in zijn werk, bij de politie, de dagen rondom de jaarwisseling juist de drukste dagen zijn. Dan is iedereen nodig en dan wil je je collegas, waaronder Frits, niet in de steek laten.
Het ging steeds slechter, er kwam koorts bij en die liep ook flink op. De huisarts wilde Ger insturen naar het ziekenhuis. Ger wilde dat niet, ook gezien de feestdagendrukte op zijn werk, maar sprak met zijn huisarts af dat die hem de volgende dag opnieuw zou beoordelen.
Tussen de witte lakens
Op oudjaarsdag was er geen ontkomen meer aan. Op een dag dat elk ziekenhuis zoveel mogelijk mensen naar huis laat gaan, moest Ger juist het ziekenhuis in. Daar lag hij dan tussen de witte lakens. Met koorts die steeds hoger werd en de molen van onderzoeken die op volle toeren draaide. De ene na de andere specialist kwam langs in de dagen die volgden. Maar niemand kon er iets van maken. De klachten bleven toenemen: hoesten, pijn in de gewrichten en grote ronde rode plekken op zijn benen volgden al snel. En de koorts bleef maar toenemen. Men wilde de koorts niet drukken, omdat ze bang waren dat ze dan helemaal niets meer konden vinden.
Men dacht aan acute reuma, waar ook pijnstillers voor voorgeschreven werden. Maar dat hielp niet. Specialist nummer zoveel haalde een
biopt uit de wang. Niets in te vinden. Iemand opperde de mogelijkheid van een longstaminfectie. Weer een andere specialist wilde een zogenaamde brievenbusmaken in de hals om in de longen te kunnen kijken, maar op de vraag waar ze dan naar op zoek waren bleef het antwoord uit. Dat wilde Ger dus niet. Hoewel iedereen zijn best deed en er volop specialisten meedachten, kwamen ze geen stap verder, het bleef allemaal vaag. Geen
diagnose, geen helpende
medicatie en geen rust.
Collega Frits herkende de vermoeidheid, het hoesten en de hardnekkige koorts van zijn eigen sarcoïdose (toen nog
Besnier-Boeck-Schaumann genoemd) en besloot dat met zijn collega te bespreken. In die tijd was het nog helemaal niet gebruikelijk dat je meedacht met een medisch specialist, maar Ger trok de stoute schoenen aan en vroeg zich hardop af of het geen sarcoïdose kon zijn. Die optie bleek de juiste te zijn.
Nadat de diagnose gesteld was, kwam een leerling-verpleegster aan mijn bed met de vraag of ik mee wilde werken aan haar scriptie. Ze vond het allemaal zo bijzonder.
Natuurlijk wilde ik dat, al was het alleen al voor de afleiding. Twee dagen later kwam ze terug. Het mocht niet van haar begeleider, die was er niet mee bekend.
Rust
De huisarts, die duidelijk een vinger aan de pols hield, wilde Ger naar huis hebben en zei tegen hem: ‘Als jij een bed in de woonkamer regelt, dan zorg ik dat je naar huis gaat. Want jij hebt maar een ding nodig en dat is rust en die krijg je hier niet. Zo gezegd, zo gedaan. Het bed kwam er en in de periode daarna werd het volop gebruikt. Ger lag veel in bed en langzaam knapte hij weer op.
Je komt in een onbekende wereld terecht, niemand kan je echt helpen als het over de vermoeidheid gaat. Je merkt in de maatschappij dat niemand precies weet wat het is.
Eén jaar lang heeft Ger zijn werk helemaal niet kunnen doen. Hij probeerde het wel, maar telkens kwam er weer een terugslag. De waakzame GGD-arts vond voorzichtigheid geboden en zette in op een heel langzame terugkeer. De werkgever heeft daarmee ingestemd, en die mogelijkheid heeft er uiteindelijk voor gezorgd dat Ger zijn werk weer helemaal heeft kunnen oppakken.
Toch ben ik nooit meer de oude geworden,zegt Ger. Er is 80% van mij over. Ik ben nog vaak moe en niet lekker. Af en toe heb ik een dip en ik transpireer ook nog veel. Daarbij heb ik nog twee aandoeningen gekregen in de loop van de tijd. Lopen lukt me nog geen honderd meter, maar fietsen met mijn e-bike houd ik wel honderd kilometer vol. Dat vind ik best bijzonder.’
Een aantal jaren na zijn ziek-worden hoorde Ger dat zijn broer dezelfde klachten had. Net als Frits destijds, herkende hij de klachten die zijn broer beschreef. En net als bij Ger kwam men ook bij zijn broer niet tot een diagnose, zelfs niet in het Academisch Ziekenhuis in Groningen. Ook zijn broer heeft toen de optie sarcoïdose geopperd en dat bleek te kloppen. Opgelapt met
prednison heeft hij nog een paar jaar geleefd. Dood in bed gevonden, 52 jaar, overleden aan een hartstilstand, zei de schouwarts. Ger: Het heeft mij nooit losgelaten in die zin dat ik ervan overtuigd ben dat hier de sarcoïdose een rol in heeft gespeeld. Obductie (een inwendig onderzoek bij iemand die overleden is, red.) hebben we als familie toen niet bedacht en dat vreet nog steeds aan me.
En Frits? Frits heeft momenteel een moeilijke periode. Hij tobt met zijn longen en dat kost hem veel energie. Ger: Als ik zie hoeveel last hij nu heeft, prijs ik me nog best gelukkig.
Ger