skip to Main Content

Diagnostiek longsarcoïdose

  • Laatst bijgewerkt:
  • Gepubliceerd:
« Terug naar artikel

Er zijn altijd verschillende onderzoeken nodig om de diagnose sarcoïdose te kunnen stellen. Dat geldt ook voor longsarcoïdose.

Bloedonderzoek

Bij het laboratoriumonderzoek wordt in het bloed vooral gekeken naar afwijkende bloedwaarden die kunnen duiden op ontstekingen. Een verhoogde aanwezigheid van de stof ACE (angiotensine converting enzyme) in het bloed komt bij ongeveer 60% van de patiënten met sarcoïdose voor. Het extra ACE is afkomstig uit de granulomen. Een verhoging van de ACE waarde kan echter ook komen door andere aandoeningen. Een verhoogde ACE waarde zou dus kunnen duiden op aanwezigheid of activiteit van de sarcoïdose maar bij een niet verhoogde ACE waarde kan de sarcoïdose ook actief zijn. Daarmee is de ACE waarde dus niet altijd een betrouwbare parameter voor het vaststellen van de aanwezigheid of activiteit van sarcoïdose. Een daling van een ACE waarde die oorspronkelijk verhoogd was geeft wel aan dat de ziekteactiviteit vermindert, al dan niet als resultaat van de behandeling.

Er zijn verschillende methoden in omloop om de ACE spiegel in het bloed te bepalen. De normaalwaarde van deze beide methoden verschillen aanzienlijk. Indien patiënten voor de diagnosestelling of de behandeling naar een andere zorginstelling gaan kan het dus voorkomen dat de ACE waarde door middel van verschillende methoden zijn bepaald waardoor de vergelijking met eerdere waarden niet opgaat.

Ook een andere stof in het bloed, de soluble interleukine-2 receptor (sIL-2R) kan gebruikt worden om sarcoïdose in het bloed op te sporen en/of de mate van ziekteactiviteit vast te stellen. Dit is een betrouwbaardere indicatie dan de ACE.

Röntgenfoto
Een röntgenfoto van de borstkas, ook wel thoraxfoto of longfoto genoemd,  levert bij patiënten met sarcoïdose een belangrijke bijdrage aan het stellen van de diagnose. De afwijkingen op de foto zijn in vier categorieën ingedeeld die we ook wel röntgenologische stadia noemen. Deze stadia hebben vastgestelde criteria maar zijn ondanks dat niet altijd eenvoudig te onderscheiden. De stadia volgen elkaar ook niet perse in numerieke volgorde op.  Men kan bijvoorbeeld ook van stadium III naar stadium II.
Stadium Beeld op de thoraxfoto
          0 Het kan ook voorkomen dat er geen afwijkingen op de thoraxfoto te zien zijn. Dit is zeldzaam. Er is dan sprake van bijvoorbeeld oog- of huidafwijkingen door de sarcoïdose. Dit noemen we stadium 0.
          I Röntgenologisch stadium I wordt gekenmerkt door de vergroting van lymfeklieren gelegen bij de ingang van de long (meestal aan beide kanten) en soms ook van de lymfeklieren naast de luchtpijp. In stadium I bestaan er röntgenologisch bezien geen zichtbare afwijkingen in de longen. Dit stadium komt bij 50% van de mensen met sarcoïdose voor.
         II De longsarcoïdose toont behalve de lymfekliervergrotingen ook verdichtingen in de longvelden, meestal bestaande uit een netwerk van streep- of lijnvormige verdichtingen en/of kleine vlekkerige afwijkingen in het middengebied van beide longen. Ongeveer 25% van de patiënten presenteert zich met röntgenologisch stadium II.
        III In stadium III longsarcoïdose zijn er vrijwel geen lymfkliervergrotingen zichtbaar op de thoraxfoto. De afwijkingen in de longvelden zijn vaak uitgebreider en vertonen een neiging tot samenvloeien. Stadium III kan bij 10-15% van de patiënten worden vastgesteld.
        IV Bij stadium IV longsarcoïdose zijn er op de thoraxfoto afwijkingen in de longvelden die verschillend van aard kunnen zijn en passen bij een niet omkeerbare resttoestand van verlittekening van de longen (fibroserende  longsarcoïdose). Bij 5-10% van de patiënten met longsarcoïdose blijkt het röntgenologisch stadium IV voor te komen.
Röntgenologisch vervolgonderzoek, waarbij regelmatig een röntgenfoto van de borstkas wordt gemaakt, is noodzakelijk om veranderingen van de eerder vastgestelde afwijkingen bij longsarcoïdose met of zonder therapie te volgen.

Longfunctieonderzoek

Het onderzoek van de longfunctie is een belangrijk onderdeel van het standaardonderzoek bij patiënten met sarcoïdose. Vaak zijn de resultaten van doorslaggevend belang bij het besluit tot behandeling met medicatie. De klachten van de patiënt zijn meestal te meten in de functie van de longen. Bij patiënten met eenröntgenologisch stadium I longsarcoïdose is de longfunctie slechts zelden gestoord. Bij de zogenaamde stadia II, III en IV kan dit wel het geval zijn. De stoornis in de longfunctie blijkt echter niet altijd overeen te komen met de stadia van de thoraxfoto.

Ook heeft de praktijk geleerd dat er bij patiënten die geen klachten hebben toch in wisselende mate afwijkingen in het longfunctieonderzoek kunnen voorkomen. Het omgekeerde komt echter ook voor: Mensen die wel klachten hebben maar geen afwijkingen in de longfunctie.

Het longfunctieonderzoek bestaat voornamelijk uit de bepaling van de longinhoud, de hoeveelheid lucht die maximaal in- en uitgeademd kan worden, de hoeveelheid lucht die maximaal in 1 seconde uitgeademd kan worden en de snelheid waarmee het ingeademde zuurstof aan het bloed wordt doorgegeven. Meestal gebeurt dit bij de patiënt zowel in rust als bij inspanning (ergometrie), bijvoorbeeld op een fiets of loopband.

CT-scan

Een CT-scan maakt driedimensionale (3D) beelden met röntgenstralen. Deze methode wordt steeds vaker toegepast om de precieze aard en uitgebreidheid van de longafwijkingen te bepalen. Ook bij het opsporen van lymfekliervergrotingen kan deze techniek behulpzaam zijn.

Weefselonderzoek

Longen

Het verdient meestal aanbeveling de (vermoedelijke) diagnose sarcoïdose te bevestigen door weefselonderzoek (het aantonen van granulomen). Meestal gebeurt dit met een bronchoscopie. Dat is een onderzoek waarbij de longarts met een kijkinstrument (bronchoscoop) in de luchtwegen kijkt. Dit gebeurt onder plaatselijke verdoving. Tijdens een bronchoscopie kunnen ook een longspoeling en een longbiopt worden gedaan.

Lymfeklieren

Weefselonderzoek van de lymfeklieren in het gebied tussen de longen (mediastinum) kan uitgevoerd worden met een endo-echografie en in sommige gevallen via een zogenaamde mediastinoscopie. Bij een endoechografie worden via de slokdarm of de luchtwegen beeldopnamen gemaakt van de lymfeklieren die tussen de longvliezen (mediastinale ruimte) liggen en vervolgens wordt hier met een dunne naald een biopt (stukje weefsel voor onderzoek) van genomen. De opnamen worden gemaakt met behulp van onhoorbare geluidsgolven (echografie); het maken van de opnamen is geheel onschadelijk.

Mediastinoscopie is een operatief onderzoek waarvoor een algehele narcose noodzakelijk is. De chirurg maakt hiervoor een kleine snede boven het borstbeen en inspecteert het gebied tussen de longen via een door de opening naar binnen gebrachte buis. Met een tangetje kan via deze buis lymfeklierweefsel worden weggenomen voor microscopisch onderzoek.

Bij patiënten met een röntgenologisch stadium I en II longsarcoïdose levert endo-echografie in zo’n 80% van de gevallen een bevestiging van de diagnose op en mediastinoscopie in vrijwel 100% van de gevallen. Bij een zeer klein aantal patiënten kan het geïndiceerd zijn om longweefsel te verkrijgen via een operatie van de borstholte.

Delen
Back To Top