skip to Main Content

Geschiedenis

« Terug naar artikel

1869 Er worden bij een patiënt afwijkingen in de huid van vingers, handrug en scheenbeen geconstateerd.

1877 Jonathan Hutchinson beschreef deze afwijkingen in de Illustrations of Clinical Surgery

1898 Deze aandoening kreeg de naam ‘Mortimers malady’.

1889 Ernest Besnier beschreef huidafwijkingen die hij ‘lupus pernio’ noemde.

1899 Caesar Boeck publiceerde een artikel, waarin niet alleen huidafwijkingen werden beschreven, maar ook lymfeklierzwellingen. Boeck was ook de eerste die histologisch onderzoek verrichtte, waarbij het begrip ‘multiple benign sarcoïd of the skin’ werd geïntroduceerd.

1909 Christian Heerfordt, een Deense oogarts, beschreef een syndroom dat hij ‘febris uveo-parotidea subchronica’ noemde, hetgeen hij als een uitingsvorm van tuberculose zag. Pas in 1936 werd dit syndroom als sarcoïdose ‘herkend’.

1914 Jörgen Schaumann zag als eerste in dat het een aandoening betrof waarbij meerdere organen en weefsels waren aangetast en stelde hij voor de term ‘lymphogranulomatosis benigna’ in te voeren.

1920 Otto Jüngling benoemde botcysten bij sarcoïdose als ‘ostitis tuberculosa simplex’. Opgemerkt dient te worden dat deze botafwijkingen ook reeds in 1904 door Karl Kreibich beschreven werden bij een patiënt met ‘lupus pernio’.

1941 De Kveim-test werd ingevoerd, waarvan het belang met name bestond uit de initiatie van immunologisch onderzoek bij sarcoïdose. Later werd door Siltzbach veel studie verricht op het gebied van de Kveim-reactie.

1946 Sven Löfgren beschreef een acute vorm van sarcoïdose, gepaard gaande met ‘erythema nodosum’. Opvallend was dat sarcoïdose toen nog steeds gezien werd als een vorm van tuberculose.

Back To Top