Immunosuppressiva

Medicijnen die de werking van het afweersysteem remmen noemen we immunosuppressiva. Ze worden gebruikt bij aandoeningen waarbij de ontstekingsreactie van het lichaam overmatig of ongewenst is, zoals bij sarcoïdose.

Voorbeelden van medicijnen die als immunosuppressivum worden aangeduid zijn: Corticosteroïden (waar onder prednison), celdelingsremmers zoals azathioprine en mycofenolaatmofetil (MMF) en methotrexaat en biologicals (Adalimumab en Infliximab). Alle gangbare medicatie die bij sarcoïdose wordt ingezet valt dus onder de immunosuppressiva.

Immunosuppressieve medicijnen vergroten het risico op infectieziektes. Bij sterke en langdurige immunosuppressie worden patiënten vatbaar voor micro-organismen die normaal onschadelijk zijn, zoals schimmels. Dit is omdat de meeste immunosuppressiva die tot dusver op de markt zijn gebracht, niet alleen een specifiek ziektefenomeen remmen, maar alle immunologische reacties in het lichaam.